Bij de isolatie van een bewoonde zolder bestaan twee mogelijke werkwijzen:

- Als de gordingen of sporen een zwaar profiel hebben en enigszins recht en regelmatig zijn dan kan men tussen deze gordingen of sporen isoleren en deze (gedeeltelijk) in het zicht laten.
- Als de dakconstructie uit relatief zwakke profielen bestaat, of als de dakconstructie erg onregelmatig is dan kan men beter een isolatie en afwerking toepassen die dit alles bedekt. Dit wordt onder 15.5.3 behandeld.
Helaas zult u niet vaak zo dikke sporen aantreffen dat u de eerstgenoemde werkwijze toe kunt passen. Tegenwoordig zijn de meest toegepaste maten 60/80 en 80/100mm (B/H). U hebt dus nauwelijks de ruimte om een 100mm dikke isolatie aan te brengen. Alleen bij zeer oude gebouwen of speciale constructies treft u sporen met een hoogte van meer dan 100mm aan.

Op de website van de bouwmarkt OBI is een uitvoerige handleiding te vinden.

Dit is de werkwijze als de sporen in het zicht zijn. Zijn de gordingen in het zicht dan kan men tussen de op de gordingen liggende sporen isolatie aanbrengen zoals hierboven beschreven, dan blijven de gordingen in het zicht, of men kan alles tussen de gordingen met isolatiemateriaal opvullen en de betimmering van gording tot gording plaatsen. Als binnenmuren gepland zijn dient men deze los van de dakconstructie te plaatsen. Gasbetonwanden of staanders van gipsplaatwanden dient men alléén door veerankers met de dakconstructie te verbinden. Hiervoor bestaan ook schuifconstructies en speciale opnameprofielen..
volgende ->