U dient de volgende vragen te onderzoeken:
Hoeveel raamoppervlak?
Wat is de goede plaats?
Welke afmetingen en welk model raam?
Voor de plaatsing ten opzichte van andere gevelelementen (ramen, deuren) zie de regels in hoofdstuk 3 van het menupunt 06.4 over dakkapellen.
Het benodigde raamoppervlak hangt van een aantal factoren af. Wilt u een lichte leefruimte? Wilt u zicht op het landschap? Of gaat het alleen om een beetje licht voor een zolderkamer?
Een goed richtgetal is de 10%-regel: het totale raamoppervlak dient 10% van het vloeroppervlak te bedragen als u een ‘normale’ verlichting wilt. Voor een woonruimte is 12 à 15% beter, voor een rommelzolder kunt u het ook met minder doen. En het liefst zou ik bijzonder grote dakramen alleen op het noorden plaatsen; niet voor niets hebben alle schildersateliers grote ramen op het noorden.
Voor de ideale hoogte van dakramen gelden twee regels:
Houd het hart van het venster ongeveer op ooghoogte, dus 160 à 180cm.
De onderkant van het venster kan men het beste 90 à 120 cm boven de vloer plaatsen.
Zie hiervoor hoofdstuk 6.5.2, afb. 7-9. Natuurlijk is dat, vooral bij traditionele huizen, lang niet altijd realiseerbaar.
Voor bepaalde modellen, vooral uitzetvensters die alleen bij dakhellingen tussen 15 en 55° gebruikt kunnen worden, is het belangrijk de helling van uw dak na te meten.
Een aantal andere keuzecriteria zijn in hoofdstuk 06.5.7 vermeldt. Voor het bepalen van de maten van het dakraam moet u uw dakconstructie kennen. Hier bestaan principieel twee moeilijkheden die in de hoofdstukken 06.5.2 en .3 nader toegelicht worden:
In nieuwere huizen zijn isolatie en dakbalken onzichtbaar weggewerkt. Dus voordat u een gat voor een dakraam maakt, moet u nauwkeurig bepalen waar de balken (gordingen en sporen, les pannes et les chevrons) lopen.
Bij traditionele daken boven onbewoonde zolders (combles non amenagées) daarentegen is de balkconstructie meestal duidelijk te zien, maar de onregelmatigheid ervan kan de plaatsing van ramen moeilijk maken.
Ik geef daarom twee verschillende benaderingen, een voor moderne daken (6.5.2) en een voor traditionele (6.5.3).